1. Geef het bestand een beschrijvende naam
Google leest de bestandsnaam. 'IMG_4821.jpg' zegt niets, 'cv-ketel-installatie-dordrecht.jpg' zegt alles. Gebruik koppeltekens tussen woorden, geen spaties of underscores, en beschrijf wat er op de foto staat.
2. Schrijf een goede alt-tekst
De alt-tekst beschrijft de afbeelding voor mensen die hem niet kunnen zien en voor zoekmachines. Schrijf wat er te zien is, in één zin, met het zoekwoord als dat natuurlijk past. 'Monteur vervangt cv-ketel in woning in Dordrecht' is goed. 'cv ketel dordrecht installatie goedkoop' is spam en werkt averechts.
3. Kies het juiste bestandsformaat
Gebruik WebP of AVIF voor foto's: tot 50 procent kleiner dan JPEG bij dezelfde kwaliteit. Logo's en iconen zijn het beste als SVG, die blijven scherp op elk scherm en zijn piepklein. PNG alleen als je transparantie nodig hebt en SVG niet kan.
4. Maak de bestanden klein
Een foto van 4.000 pixels breed in een kader van 800 pixels is verspilling. Verklein afbeeldingen tot de grootte waarop ze getoond worden, en comprimeer ze. Richtlijn: onder de 150 kilobyte voor een gewone foto, onder de 300 voor een hero-beeld. Moderne websiteplatformen doen dit automatisch, controleer of dat bij jou aanstaat.
5. Laad afbeeldingen pas als ze in beeld komen
Met lazy loading laadt de browser afbeeldingen onder de vouw pas als de bezoeker ernaartoe scrolt. Dat maakt de eerste weergave sneller, wat direct meetelt in Google's Core Web Vitals. Uitzondering: de afbeelding bovenaan de pagina laad je juist zo vroeg mogelijk.
6. Benut Google Afbeeldingen
Voor producten, interieur, bouw en alles wat visueel is, zoeken mensen in Google Afbeeldingen. Met goede bestandsnamen, alt-teksten, bijschriften en een afbeeldingensitemap kun je daar verkeer uit halen dat je concurrenten laten liggen.
Test je pagina in PageSpeed Insights. Staat er 'afbeeldingen op de juiste grootte weergeven' of 'volgende generatie afbeeldingsindelingen gebruiken', dan weet je waar de winst zit.